Drie maanden geleden was ik zojuist gearriveerd in ons appartement op Calle de Aboraya, Valencia. Ik had net kennisgemaakt met mijn Servische huisgenootjes. De tweeënhalf uur durende vlucht die mij in het holst van de morgen naar het zonovergoten Spanje bracht, zat erop. Hier stond ik dan, all alone, in Spanje. Niet wetende wat me te wachten stond. Wie zou ik ontmoeten? Zou de stad Valencia leuk zijn? Hoe ver zat ik eigenlijk van la playa? Hoe zouden mijn Servische huisgenootjes zijn?
Genoeg vragen waar slechts een antwoord op te geven is:it was AMAZING.
Twee maanden geleden was ik klaar om ons inmiddels vrij lege appartement te verlaten. De metro zou me naar de airport brengen waar ik rond twee uur richting het kille, platte en eentonige Nederland zou vliegen. En nu lijkt Valencia mijlenver. Jammer dat ik het heerlijk ontspannen gevoel niet langer kan aanhouden dan een week na thuiskomst. Vanaf dat moment was alles zoals het was: saai, het eeuwige ritme (eten om 18 uur in plaats van een siësta houden op dat tijdstip om vervolgens in slakkentempo richting de supermercado te gaan), vieze Amsterdamse metro’s (hulde aan de Valenciaanse metro!). Gewoon Nederlands.
“Juffrouw, u heeft nepnagels!”
“Nee hoor”, antwoordde ik.
“Wel waar! Kijken aan de onderkant?” vroeg het blonde jongetje uit groep vier. Ik draaide mijn handen om en liet de onderkant zien. Hij inspecteerde de boel zorgvuldig, waarop hij concludeerde: “Echt wel!”
“Nee hoor, het zijn geen nepnagels.”
“U heeft ze wel zwart geverfd.”
“Gelakt, joh”, verbeterde een meisje aan dezelfde tafel hem.
“O.”
“Het zijn kunstnagels”, zei ik met een glimlach.
“Oooh, zeg dat dan”, zuchtte hij.
Een week later.
“Mevrouw, u heeft nepnagels, hè?” vroeg hetzelfde jongetje weer. “Mevrouw? Ben ik zo oud?” Het jongetje giechelde voorzichtig terwijl hij nog een hap van zijn boterham nam. “Ze zijn niet nep”, antwoordde ik. Ik lachte waarop hij met volle mond zijn woorden herhaalde. “Dat zijn nepnagels.” Even was het stil. Ik wilde de jongens een tafel verder zeggen dat ze rustig moesten zijn tot het jongetje in kwestie plots naast me stond. “Kijken dan?”
De wind waaide hard door haar donkere haar terwijl ze hardop zong. Niemand zag haar en wat gaf het ook. Sinds niets belangrijker na het verliezen van haar “alles”, kon ze in principe alles doen wat ze wilde. De zon brak langzaam door de wolken heen, ook al kwamen er niet veel eerder dikke druppels uit de hemel vallen. Een trilling deed haar even verbleken en voor een seconde stopte ze met haar luidkeelse gezang. Haar telefoon lichtte op en trilde. Met haar blik op haar telefoon gericht, sloot ze haar ogen. De telefoon werd weggestopt. De tien cijfers op haar display waren blijkbaar niet overtuigend genoeg. Misschien was het genoeg geweest. Swingende bewegingen vormen donkere schaduwen op het fijne goudgele zand. De wind door haar haar zorgt voor een gevoel van vrijheid en een ingetogen gevoel van rust. De golven klonken zachtjes op de achtergrond en hoewel het windkracht zeven was, hielden de golven zich gedeist. Verderop waaide een felgroene vlieger, hoog in de lucht. De man had duidelijk moeite met het onder controle houden van het groene gevaarte. Wederom een trilling, dit keer gevolgd door het welbekende signaal: “U heeft één nieuw sms-bericht”. Haar haren vlogen voor haar gezicht op het moment dat ze het sms’je wilde openen. Karma? Ze zuchtte en wilde de tekens het liefst ontwijken. Gewoon, omdat het alles nog moeilijker zou maken. Puur hypothetisch gezien, want waarschijnlijk is dat uitgesloten. Compleet onmogelijk. Alles gaat door en de wereld zal nooit stoppen met draaien. Hoewel het er nu op lijkt dat de wereld even stilstaat. De wind wakkert nog iets aan en de golven worden langzaam heftiger terwijl de strandgangers zich richting de bomvolle en met vlaggetjes versierde terrassen begeven. De man met zijn groene gevaarte is verdwenen, waarschijnlijk was de wind hem de baas. Zelf word ik plotseling heel onrustig door de aandacht en de onderdrukte gevoelens die door mijn lichaam gieren.
Te veel van alles, maar tegelijkertijd zo weinig van hetgeen er echt toe doet.
‘Is er iets?’ Ik staar uit het raam terwijl oranje zwaailichten mijn uitzicht op de weg versieren. ‘Nee, wat zou er moeten zijn?’ zeg ik, terwijl ik over mijn rechter schouder kijk. ‘Weet niet’, klinkt het op een voorzichtige toon naast me. We kijken elkaar aan. Dit klopt. Hoe is het mogelijk dat -. Alles staat stil, terwijl de wereld een minuut of twintig daarvoor nog in de vijfde versnelling om mij heen draaide. Een blik zegt meer dan alle woorden die ik ooit geschreven heb. Meer dan wat dan ook in de wereld, meer dan je je kunt voorstellen. Ik lach doordat ik wat ongemakkelijke gevoelens voel opkomen. Dan pas besef ik dat het voor jou waarschijnlijk hetzelfde aanvoelt. Misschien op een andere manier, maar ondanks dat is het zo vanzelfsprekend en “gewoon”. De muziek gaat harder en even zingen we in stilte mee. Ik sluit mijn ogen terwijl ik in gedachten meezing met de muziek die ik zelf nooit uitgekozen zou hebben. Het is te veel pop en te bekend, maar desondanks vind ik het prima. Ik zie je uit het raam staren, de oranje zwaailichten verlichten je gezicht en ik bespeur een lichte glimlach. Even kijk ik net zolang tot je omkijkt, gewoon omdat het kan.
‘Meen je dit?’ Ik knik terwijl ik je zie glimlachen. Even kijk ik voor me uit. ‘Oké’ hoor ik, zonder aarzeling. Ik hoor het geluid van de sleutels die omgedraaid worden. De koplampen gaan aan en niet veel later verlaten we de plek waar we misschien een uur stil gestaan hebben. Na een krappe bocht voorbij de zwaailichten, rijden we alsmaar harder auf ihrem Weg zum Horizont...
- Zelfs het meest vertrouwde dezelfde weg inslaat.